Snelheid

Het wegrijden vanuit parkeerstand gebeurt met een veilige en aangepaste snelheid.
De snelheid zoveel mogelijk aanpassen aan het overige verkeer.
De geldende maximumsnelheid niet overschrijden. De snelheid bovendien zodanig regelen, dat daardoor geen gevaar of onnodige hinder ontstaat of kan ontstaan.
Bij het tegemoetkomen de snelheid aanpassen.
Bij het ingehaald worden de snelheid niet verhogen
Een kruispunt met veilige en verantwoorde snelheid naderen en oprijden.
Bij het afslaan met een zodanige snelheid rijden dat de manoeuvre veilig kan worden uitgevoerd.
De snelheid op de invoegstrook zoveel mogelijk aanpassen aan het verkeer op de doorgaande rijbaan.
De snelheid waarmee op de doorgaande rijbaan wordt gereden in beginsel aanhouden tot op de uitrijstrook.
Het inhalen gebeurt met een zodanige snelheid dat de duur van de manoeuvre beperkt blijft.
Bij het voorbijgaan van obstakels de snelheid aanpassen aan de situatie.
Het berijden van een in-/uitrit gebeurt met een veilige en aangepaste snelheid.
Binnen een erf maximaal stapvoets rijden (15 km/uur).
Een overweg met aangepaste snelheid naderen en oprijden.
Een voetgangersoversteekplaats wordt met matige snelheid genaderd.
Bij het naderen van een tram-/bushalte waar een tram of bus stilstaat en/of wachtende mensen staan, de snelheid aanpassen.
Nabij en op de rotonde de snelheid zódanig regelen dat alle handelingen op een veilige wijze kunnen worden uitgevoerd.