Plaats op de weg/plaats van handeling

Na het wegrijden de juiste plaats op de rijbaan innemen.
Zoveel mogelijk rechts houden.
Een kruispunt niet blokkeren.
Bij het afslaan kan, na kijken en richting aangeven, het best worden voorgesorteerd.
Bij het rijden van de bocht de juiste plaats op de rijbaan innemen.
De invoegstrook over een zodanige lengte benutten als nodig is. Uitvoegen geschiedt aan het begin van de uitrijstrook.
Vóór, tijdens en na het inhalen/voorbijgaan de juiste plaats op de rijbaan innemen. In bepaalde situaties/omstandigheden wordt niet ingehaald. Inhalen geschiedt links. In bepaalde gevallen is rechts inhalen toegestaan, gewenst of vereist.
Het wisselen van rijstrook of het zijdelings verplaatsen dient vloeiend te gebeuren.
Bij het verlaten van de uitrit zo spoedig mogelijk in vloeiende lijn de juiste plaats op de rijbaan innemen. Bij het inrijden van de inrit voorsorteren zoals bij het afslaan is omschreven.
Stoppen op een overweg is verboden. Deze alleen oprijden als kan worden doorgereden en de overweg geheel kan worden vrijgemaakt.
De te volgen rijrichting en de verkeersintensiteit zijn bepalend voor de te volgen rijstrook of de plaats op de rijbaan.
Bij het naderen, berijden en verlaten vrij liggende fietspaden niet blokkeren.
Bij het voorbijrijden van een tram-/bushalte waarbij mensen wachten, voldoende tussenruimte laten.
De verrichting wordt uitgevoerd op een plaats waar voldoende gelegenheid en zicht is.
Zoveel mogelijk rechts rijden