Het geven van/reageren op signalen

Tijdig richting aangeven als op de rotonde van rijstrook wordt veranderd of als deze verlaten wordt.
letten op ander ver­keer, de keuze voor een veilige plaats en een milieubewuste uitvoering.
Vóór het wegrijden richting aangeven.
Goed reageren op de richtingaanwijzer van de autobus bij een bushalte.
Remlichten en/of knipperende waarschuwingslichten van andere voertuigen vragen om extra aandacht.
Op dezelfde wijze signalen geven als buiten het erf.
Indien naar links of rechts de weg wordt opgereden, richting aange­ven alvorens de uitrit te verlaten. Indien naar links of rechts de inrit wordt ingereden tijdig richting aangeven.
Indien het inhalen/voorbijgaan een belangrijke zijdelingse verplaatsing met zich meebrengt, richting aangeven.
Vóór het wisselen van rijstrook of het maken van een andere belang­rijke zijdelingse verplaatsing, richting aangeven.
Ter afwending van dreigend gevaar een geluid of knippersignaal geven.
Bij het afslaan tijdig en nadat is gekeken, richting aangeven.
Tijdig voordat vanaf de invoegstrook de doorgaande rijbaan wordt opgereden, een teken met de richtingaanwijzer geven. Bij het uitvoegen, rijdend op de rechterrijstrook, tijdig (circa 300 m van tevoren) richting aangeven.